Een bezoldiging van € 45.000: een absolute noodzaak?

2018-04-25T15:53:29+00:00 25 april 2018|Fiscaliteit|

Wie als zelfstandige actief is met een eigen vennootschap, heeft ongetwijfeld reeds vernomen dat de minimumbezoldiging voor bedrijfsleiders werd opgetrokken tot € 45.000 per jaar. Maar waarvoor geldt deze minimumgrens? En is het inderdaad noodzakelijk om een dergelijke bezoldiging uit te keren?

Verlaagd vennootschapstarief
Vennootschappen die aan een aantal voorwaarden voldoen, kunnen genieten van een verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting. Eén van die voorwaarden luidde tot voor kort dat in het betrokken boekjaar aan ten minste één bedrijfsleider (natuurlijk persoon) een bezoldiging van ten minste € 36.000 moest worden toegekend. Wanneer het belastbaar resultaat van de vennootschap evenwel minder bedroeg dan € 36.000, dan volstond een bezoldiging die minstens gelijk was aan dat belastbaar resultaat.

De bezoldiging die in aanmerking wordt genomen is de totale brutobezoldiging, inclusief voordelen van alle aard en geherkwalificeerde huur.

Door de hervorming van de vennootschapsbelasting werden de belastingtarieven voor vennootschappen verlaagd. Momenteel gelden volgende tarieven:

(*) enkel op de eerste schijf van € 100.000 aan winst

Daarnaast werden ook de voorwaarden voor het verlaagd tarief aangepast. Zo komen voortaan enkel KMO-vennootschappen in aanmerking en werd de minimale bezoldigingsvereiste opgetrokken van € 36.000 naar € 45.000.

Belangrijk is dat enkel bezoldigingen die betaald worden aan natuurlijke personen in aanmerking worden genomen. Vennootschappen van wie het bestuursorgaan uitsluitend bestaat uit andere vennootschappen, zijn hoe dan ook uitgesloten van het verlaagd vennootschapstarief.

Maar betekent dit nu dat u zichzelf een opslag moet toekennen om verder van het verlaagd tarief te kunnen genieten? Dit is zeker niet altijd het geval. Is uw belastbaar resultaat lager dan € 45.000, dan volstaat immers een bezoldiging die gelijk is aan dat belastbaar resultaat.

Laten we bij wijze van voorbeeld er van uitgaan dat uw bezoldiging als bedrijfsleider op jaarbasis € 30.000 bedraagt. De vennootschap realiseert een belastbaar resultaat (na aftrek van de bezoldiging) van € 25.000. Wel, dan kan het verlaagd tarief van toepassing zijn, ook al bedraagt uw bezoldiging minder dan € 45.000. Uiteraard voor zover aan de andere voorwaarden is voldaan.

Bedraagt uw bezoldiging daarentegen minder dan € 25.000 op jaarbasis, dan gaat het verlaagd tarief in het aangehaalde voorbeeld wel verloren.

Sanctie bij te lage bezoldiging
Het uitkeren van een te lage bezoldiging heeft niet alleen tot gevolg dat het verlaagd vennootschapstarief verloren gaat.

De regering heeft immers ook een afzonderlijke heffing (sanctie) ingevoerd. Wanneer een vennootschap niet aan ten minste één bedrijfsleider de vereiste minimumbezoldiging van € 45.000 toekent, dan is een heffing van 5% verschuldigd op het te weinig uitgekeerde bedrag. Deze regeling geldt voor elke vennootschap, ongeacht of het gaat om een KMO of niet.

Ook hier mag enkel rekening worden gehouden met bezoldigingen die worden toegekend aan natuurlijke personen. Vennootschappen van wie het bestuursorgaan uitsluitend bestaat uit andere vennootschappen, zijn sowieso onderworpen aan de heffing.

Oorspronkelijk was het bedoeling dat het tarief van 5% vanaf aanslagjaar 2021 zou stijgen tot 10%. Maar de regering zou nu op plannen broeden om die verhoging te schrappen….

Maar hoe wordt de afzonderlijke heffing concreet berekend? Een voorbeeld toont aan dat dit niet zo evident is als het lijkt.

Een vennootschap behaalt een belastbaar resultaat van € 50.000 (na aftrek van de toegekende bezoldigingen). In dat jaar heeft zij aan haar enige bedrijfsleider (natuurlijk persoon) een bezoldiging toegekend van € 30.000, wat minder is dan de vereiste € 45.000. Is zij dan de afzonderlijke heffing verschuldigd op een bedrag van € 15.000 (€ 45.000 – € 30.000)?

Dit is niet het geval. De afzonderlijke heffing is slechts verschuldigd op € 10.000. Had de vennootschap immers € 10.000 meer bezoldiging toegekend aan haar bedrijfsleider, dan was haar belastbaar resultaat gelijk aan € 40.000, identiek aan de toegekende bezoldiging. Met andere woorden, het te weinig uitgekeerde bedrag aan bezoldigingen bedraagt dus € 10.000 en geen € 15.000.

De heffing zal gelijk zijn aan € 510 (€ 10.000 x 5,1% (5% + 2% crisisbelasting)). Deze heffing vormt een aftrekbare beroepskost.

Betekent dit dat wie werkt met meerdere vennootschappen (wat in KMO-vennootschapsgroepen zeer gebruikelijk is) uit elk van die vennootschappen een bezoldiging van minstens € 45.000 moet halen? Dit is gelukkig niet noodzakelijk het geval.

Vennootschappen die onderling met elkaar verbonden zijn kunnen immers een bijzondere regeling toepassen. Wanneer minstens de helft van de bedrijfsleiders in elke vennootschap dezelfde personen zijn, mag het totaal van de door alle vennootschappen aan één van die personen gestorte bezoldigingen gezamenlijk in aanmerking worden genomen. De (totale) minimumbezoldiging beloopt in dat geval € 75.000.

Neveneffecten
U zou geneigd kunnen zijn om uw bezoldiging op te trekken tot € 45.000 (of eventueel € 75.000 binnen een vennootschapsgroep). Op die manier bent u zeker van het verlaagd vennootschapstarief en vermijd u de afzonderlijke heffing. Maar dit is zeker niet altijd de beste keuze.

Er moet immers ook rekening worden gehouden met verschillende andere factoren. Een hogere bezoldiging gaat met name gepaard met hogere sociale bijdragen en een hogere personenbelasting. Mogelijks doet deze extra ‘kost’ het voordeel van het verlaagd tarief teniet.

Anderzijds kan een hogere bezoldiging dan weer bijkomende fiscale ruimte creëren om aan extrawettelijke pensioenopbouw te doen via de vennootschap.

Op de vraag of u uw bezoldiging best optrekt tot de grens van € 45.000, valt dan ook geen eenduidig antwoord te geven. Zeker wanneer u werkt met meerdere vennootschappen is het bepalen van een geschikte loonpolitiek, in functie van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting en de afzonderlijke heffing, een waar huzarenstukje geworden.

Een doordachte planning, waarbij ook rekening wordt gehouden met alle andere bijkomende aspecten is tegenwoordig geen overbodige luxe. De specialisten van Lemon Consult gaan graag samen met u en uw andere adviseurs na welke strategie u het best volgt.

 

Dieter Bossuyt
Belastingconsulent