Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik: enkele praktische aandachtspunten

2019-06-12T21:55:13+00:00 12 juni 2019|Successie|

Wie een schenking onderneemt ten voordele van z’n kinderen en daarbij het vruchtgebruik voorbehoudt, staat best even stil bij het lot van dit vruchtgebruik bij zijn overlijden. Moet het vruchtgebruik worden verdergezet door de partner of niet? De wettelijke regels daaromtrent zijn vorig jaar gewijzigd.

Onder het oude erfrecht kon de langstlevende echtgenoot de inbreng eisen van schenkingen gedaan in volle eigendom aan afstammelingen als voorschot op hun erfdeel. De langstlevende echtgenoot had recht op het vruchtgebruik van deze geschonken goederen, ook al was de schenking gebeurd vóór het huwelijk.

Stel dat een vader een schenking had gedaan van een woning in volle eigendom aan zijn kinderen, en nadien (her)trouwde, dan dienden de kinderen bij het overlijden van hun vader de woning terug in te brengen in zijn nalatenschap. Aan de langstlevende echtgenoot kwam bijgevolg het vruchtgebruik toe, zonder daarop erfbelasting verschuldigd te zijn.

Sedert de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht op 1 september 2018 worden schenkingen in volle eigendom aan afstammelingen, als voorschot op erfdeel, voor het vruchtgebruik beschouwd als schenkingen buiten erfdeel. De inbrengverplichting ten voordele van de langstlevende echtgenoot werd bijgevolg afgeschaft.

In de plaats daarvan heeft de wetgever voorzien in een ‘wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik’ voor de langstlevende echtgenoot. Onder bepaalde voorwaarden zal de langstlevende echtgenoot automatisch het vruchtgebruik voortzetten bij schenkingen gedaan door de overleden echtgenoot met voorbehoud van vruchtgebruik. Hetzelfde geldt voor de langstlevende wettelijk samenwonende partner, maar dan enkel voor wat betreft de met voorbehoud van vruchtgebruik geschonken gezinswoning (en de daarin aanwezige huisraad).

Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik komt enkel toe aan de langstlevende echtgenoot (of wettelijk samenwonende partner) op voorwaarde dat deze laatste reeds gehuwd was (of reeds wettelijk samenwoonde) met de schenker op het ogenblik van de schenking én op voorwaarde dat de schenker vóór zijn overlijden geen afstand van zijn vruchtgebruik heeft gedaan.

Deze wettelijke toekenning van het vruchtgebruik mag dan wel voor de langstlevende een burgerrechtelijke bescherming bieden, fiscaal is er echter een prijskaartje aan verbonden. De langstlevende zal namelijk erfbelasting verschuldigd zijn op het toegekende vruchtgebruik (behalve bij schenking van de gezinswoning waarvoor in Vlaanderen een vrijstelling geldt).

Hoe men concreet dit fiscaal nadeel kan vermijden is afhankelijk van de vraag of de voortzetting van het vruchtgebruik door de langstlevende al dan niet wenselijk is.

Is de voortzetting van het vruchtgebruik wenselijk en wil men eigen goederen schenken met voorbehoud van vruchtgebruik, dan kan het aangewezen zijn een conventionele terugval van vruchtgebruik te bedingen in de schenkingsakte. Dit veronderstelt dat het vruchtgebruik bij het overlijden van de schenker zal toekomen aan een derde persoon (zijnde de partner).

Neem bijvoorbeeld een schenkingsakte waarin de vader een geldsom (eigen vermogen) schenkt aan zijn kinderen met voorbehoud van vruchtgebruik en waarbij wordt bepaald dat het vruchtgebruik bij zijn overlijden zal terugvallen op het hoofd van zijn huidige echtgenote, de stiefmoeder van zijn kinderen. Dergelijke terugval is een schenking onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker. Bij realisatie van de opschortende voorwaarde zal het vruchtgebruik onderworpen zijn aan de schenkbelasting (volgens de tarieven op het ogenblik van de schenkingsakte), die in principe lager zal zijn dan de erfbelasting.

Willen de echtgenoten of partners gezamenlijk gemeenschappelijke of onverdeelde goederen schenken met voorbehoud van vruchtgebruik, dan kan er beter een aanwas van vruchtgebruik voorzien worden in de schenkingsakte.

Dit is het geval wanneer beide ouders samen goederen schenken aan hun kinderen met voorbehoud van vruchtgebruik en waarbij bedongen wordt dat het aandeel in vruchtgebruik van de eerststervende ouder zal aanwassen bij het aandeel in vruchtgebruik van de langstlevende ouder. Aan de begiftigden wordt aldus een last opgelegd om het vruchtgebruik bij overlijden van de eerststervende schenker over te laten aan de langstlevende schenker.

Zo kan de langstlevende ouder het vruchtgebruik in zijn geheel over de geschonken goederen blijven uitoefenen, daar waar hij zonder deze last slechts de helft in vruchtgebruik op de geschonken goederen zou overhouden. Het vruchtgebruik van de eerststervende zou dan immers uitdoven ten voordele van de kinderen. Zulke aanwas van vruchtgebruik is vrij van erf- en schenkbelasting.

Is de voortzetting van het vruchtgebruik daarentegen niet wenselijk, dan kan de schenker het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik uitsluiten via testament. De echtgenoot kan er ook aan verzaken, hetzij door tussenkomst in de schenkingsakte, hetzij op een later tijdstip in een erfovereenkomst. Houdt er rekening mee dat ook de tussenkomst van de echtgenoot in de schenkingsakte de vorm van een erfovereenkomst aanneemt, zodat alle bijkomende vormvereisten nageleefd moeten worden.

Dana Vandaele
Expert vermogensplanning