Toekennings- en verblijvingsbedingen worden doorgaans gekoppeld aan een stelsel van scheiding van goederen. Recente voorafgaande beslissingen tonen echter aan dat ze ook binnen het wettelijk stelsel interessante mogelijkheden kunnen bieden voor de eigen goederen van echtgenoten.
Wie gehuwd is onder het wettelijk stelsel, heeft in principe drie vermogens: het eigen vermogen van elke echtgenoot en het gemeenschappelijk vermogen.
Voor het gemeenschappelijk vermogen kunnen echtgenoten al langer een keuzebeding opnemen in hun huwelijksovereenkomst. Daardoor kan de langstlevende bij overlijden meer dan de helft, of zelfs het volledige gemeenschappelijk vermogen verkrijgen. Wat de langstlevende boven de helft verkrijgt, is in principe onderworpen aan erfbelasting.
Recente voorafgaande beslissingen maken duidelijk dat een huwelijksovereenkomst ook mogelijkheden biedt voor de eigen vermogens van beide echtgenoten. Zo bevestigde Vlabel eerder al de gunstige fiscale behandeling van een toekenningsbeding voor goederen die uitsluitend tot het eigen vermogen van één echtgenoot behoren. In een nieuwe voorafgaande beslissing (nr. 26040) gaat Vlabel een stap verder. Ook een verblijvingsbeding voor goederen die echtgenoten samen in onverdeeldheid bezitten, maar die tot hun respectieve eigen vermogens behoren, kan een gunstige fiscale behandeling genieten.
Wat was de concrete situatie?
De echtgenoten waren gehuwd onder het wettelijk stelsel en hadden één gemeenschappelijke dochter. Voor hun gemeenschappelijk vermogen hadden zij al een keuzebeding voorzien in hun huwelijksovereenkomst.
Daarnaast bezat elk van hen eigen aandelen in een vennootschap. Bovendien hadden zij vóór hun huwelijk samen de blote eigendom van een onroerend goed verworven, waardoor elk aandeel tot het eigen vermogen van de betrokken echtgenoot behoorde.
Omdat het bestaande keuzebeding alleen betrekking had op het gemeenschappelijk vermogen, wilden zij hun huwelijksovereenkomst uitbreiden met twee optionele technieken: een toekenningsbeding voor exclusief eigen goederen en een verblijvingsbeding voor eigen goederen die zij samen in onverdeeldheid bezitten. Bij overlijden zou de langstlevende zelf kunnen beslissen of en in welke mate hij of zij van deze bedingen gebruikmaakt, zodat de betrokken eigen goederen geheel of gedeeltelijk aan hem of haar kunnen toekomen.
Vlabel bevestigt de fiscale behandeling
Vlabel bevestigt de gunstige fiscale behandeling van beide technieken, op voorwaarde dat de bedingen burgerrechtelijk geldig zijn en kwalificeren als huwelijksvoordelen. Vlabel spreekt zich immers niet uit over de burgerrechtelijke geldigheid zelf.
Wanneer aan die voorwaarde is voldaan, verkrijgt de langstlevende de goederen niet uit de nalatenschap, maar rechtstreeks op grond van de huwelijksovereenkomst. De regel die bepaalde verkrijgingen boven de helft van het gemeenschappelijk vermogen aan erfbelasting onderwerpt, is hier niet van toepassing. Het gaat immers om eigen goederen van de echtgenoten.
Voor roerende goederen is in de voorgelegde situatie bij de uitwerking van het toekennings- of verblijvingsbeding geen erf- of registratiebelasting verschuldigd.
Voor onroerende goederen is wel registratiebelasting verschuldigd. Bij een verblijvingsbeding kan het verdeelrecht van toepassing zijn als de echtgenoten het onroerend goed samen hebben verkregen. Werden de aandelen afzonderlijk verkregen, dan kan het verkooprecht verschuldigd zijn. Ook bij een toekenningsbeding voor een onroerend goed dat uitsluitend eigen is aan de eerststervende, is het verkooprecht verschuldigd.
Vlabel oordeelde bovendien dat in deze concrete situatie geen sprake was van fiscaal misbruik. De echtgenoten wilden elkaar maximaal beschermen, maar tegelijk hun autonomie over het eigen vermogen behouden. Daarnaast wilden zij hun eigen goederen buiten het bereik van de schuldeisers van de andere echtgenoot houden. Een inbreng van alle eigen goederen in het gemeenschappelijk vermogen was daarom geen volwaardig alternatief.
Een belangrijk aandachtspunt blijft wel het bewijs van het eigen karakter van de goederen. Vlabel spreekt zich daar niet over uit en vertrekt van de veronderstelling dat de als eigen omschreven goederen daadwerkelijk eigen zijn. Blijkt later dat bepaalde goederen toch tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, dan gelden daarvoor de fiscale regels voor gemeenschappelijke goederen.
De huwelijksovereenkomst kan dus niet alleen bescherming bieden voor het gemeenschappelijk vermogen, maar ook voor de eigen goederen van beide echtgenoten.
De beslissing is bovendien relevant voor echtgenoten die een beding van aanwas overwegen of al hebben afgesloten.
Het verblijvingsbeding als alternatief voor het beding van aanwas
Echtgenoten die samen goederen in onverdeeldheid bezitten, kunnen onder bepaalde voorwaarden een beding van aanwas sluiten. Bij een overlijden groeit het aandeel van de eerststervende dan aan bij dat van de langstlevende.
Voor onroerende goederen kan een verblijvingsbeding in de huwelijksovereenkomst fiscaal voordeliger uitvallen dan een beding van aanwas. Bij de uitwerking van een beding van aanwas is het verkooprecht verschuldigd op het aangewassen deel. Bij een verblijvingsbeding kan daarentegen het lagere verdeelrecht gelden op de volledige waarde van het onroerend goed als de echtgenoten dat samen hebben verkregen. Hebben zij hun aandeel in het onroerend goed afzonderlijk verkregen, dan kan ook bij een verblijvingsbeding het verkooprecht verschuldigd zijn.
Welke techniek het meest aangewezen is, hangt af van de concrete situatie en van de wijze waarop de goederen werden verkregen.
Conclusie
Bezit je naast het gemeenschappelijk vermogen ook een belangrijk eigen vermogen? Of bezit je samen met je echtgenoot goederen die tot jullie eigen vermogens behoren? Dan is het zinvol om na te gaan of je huwelijksovereenkomst nog aansluit bij jullie situatie en wensen. Een toekennings- of verblijvingsbeding kan daarbij interessante mogelijkheden bieden.
Dana Vandaele