Bezoldigingstheorie: Cassatie vereist werkelijke prestaties

2017-12-18T18:03:24+00:00 18 november 2016|Vermogen|

Het komt frequent voor dat bedrijfsleiders naast een bezoldiging in geld, tevens voordelen in natura ontvangen. De kosten die de vennootschap hiervoor maakt zijn echter maar aftrekbaar voor zover hier werkelijke prestaties tegenover staan, zo stelt het Hof van Cassatie in twee recente arresten.

De fiscale wetgeving bepaalt uitdrukkelijk dat bezoldigingen die worden toegekend aan bedrijfsleiders beroepskosten vormen voor de vennootschap die deze toekent. Of deze kosten ook steeds aftrekbaar zijn, is een kwestie waarover reeds heel wat is gezegd en geschreven. De discussie ontstaat vooral bij bezoldigingen in natura, vermits die doorgaans voordelig worden belast in hoofde van de bedrijfsleider.

In het verleden werd wel eens voorgehouden dat wanneer het voordeel van alle aard op een fiscale fiche wordt geplaatst (waardoor de bedrijfsleider hierop personenbelasting betaalt), de door de vennootschap gemaakte kosten steeds aftrekbaar zijn.

Deze redenering, ook wel de ‘bezoldigingstheorie’ genoemd, werd onlangs ter verdediging aangevoerd in twee casussen voor het Hof van Cassatie. Telkens ging het over een situatie waarbij een vennootschap een (gedeelte van een) onroerend goed kosteloos ter beschikking stelde van haar bedrijfsleider. Omdat de bedrijfsleider in de personenbelasting werd belast op een forfaitair berekend voordeel van alle aard, zijn de kosten voor dit onroerend goed (afschrijvingen, intrestlasten,…) aftrekbaar voor de vennootschap, zo luidde de argumentatie.

Het Hof van Cassatie is het niet helemaal eens met die redenering. Opdat de gemaakte kosten aftrekbaar zijn, moeten zij immers ook voldoen aan de algemene aftrekvoorwaarden zoals voorzien in artikel 49 W.I.B.’92, en meer specifiek aan de voorwaarde dat het moet gaan om een kost die de belastingplichtige “heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden“.

Het Hof van Cassatie legt deze voorwaarde uit door te stellen dat “tegenover de kosten werkelijke prestaties moeten staan” (eerste arrest) of dat de toegekende voordelen moeten “beantwoorden aan werkelijke prestaties verricht ten behoeve van de vennootschap” (tweede arrest).

Samenvattend kan uit de cassatiearresten worden afgeleid dat de kosten die een vennootschap maakt om aan haar bedrijfsleiders een voordeel in natura toe te kennen, aftrekbare beroepskosten zijn, op voorwaarde dat tegenover de toegekende voordelen werkelijk verrichte prestaties staan.

Het Hof van Cassatie maakt ook duidelijk bij wie de bewijslast rust: het is de belastingplichtige die moet bewijzen dat er werkelijke prestaties werden geleverd die de gemaakte kosten verantwoorden. En hiertoe volstaat het niet dat het voordeel op een inkomstenfiche werd vermeld en dat de bedrijfsleider er op werd belast.

Uiteraard stelt zich vervolgens de vraag op welke manier het verband tussen de toegekende bezoldigingen en de geleverde prestaties kan worden bewezen. Hierover doet het Hof van Cassatie geen uitspraak, maar het staat ons voor dat het goed documenteren van de gehanteerde verloningspolitiek in deze cruciaal is. Zo lijkt het ons een must om bij de benoeming van een bestuurder, zijn bezoldigingspakket (zowel in geld als natura) gedetailleerd te omschrijven in de notulen van de algemene vergadering. Bij een wijziging van het bezoldigingspakket, bv. wanneer de bedrijfsleider een bijkomend voordeel in natura geniet, worden de redenen hiertoe best ook uitdrukkelijk beschreven. Het is bovendien aangewezen om jaarlijks in de notulen van de jaarvergadering de toegekende bezoldiging over het voorbije jaar te bevestigen.

Dieter Bossuyt
Belastingconsulent